Archief

O3-symposium 30 januari 2009: "Werken met moeilijke mensen in de openbare GGZ- hoe doen we dat?"


In de uitnodiging voor de werkconferentie stond de volgende toelichting:

Hulpverleners in de Openbare GGz (OGGz) werken met mensen die uit zichzelf geen hulp vragen. De hulpvraag komt vanuit de omgeving. Hulpverleners staan voor de lastige taak om mensen te motiveren, en om complexe en gevaarlijke situaties het hoofd te bieden. De laatste jaren zijn nieuwe interventies en instrumenten ontwikkeld voor het werken in de OGGz. Voorbeelden zijn methodieken om huiselijk geweld aan te pakken, gevaar taxatie instrumenten, interventies ter verbetering van behandelmotivatie, het invoeren van de crisiskaart om crisissituaties te voorkomen, ACT voor zorgmijdende ouderen, methoden om de effecten van (OGGz) interventies te meten (Routine Outcome Monitoring) en het elektronisch EPD van de GGD (e-Vita). Het Onderzoekcentrum O3 heeft als doelstelling om nieuwe interventies in de OGGz te ontwikkelen en te testen op hun werkzaamheid. Tijdens deze werkconferentie willen we met u hierover ervaringen uitwisselen. We hopen dat we op deze manier, samen met u, het veld van de OGGz verder ontwikkelen en onze kennis op dit gebied vergroten.


Wat er aan vooraf ging

Het begon ergens halverwege 2008 met het idee om in diverse workshops de onderzoeksprojecten van O3 eens goed in de etalage te zetten. De vraag was dus: hoe doen we dat? Het O3 Onderzoekcentrum GGz Rijnmond is een samenwerkingsverband van het Erasmus MC, de GGD Rotterdam-Rijnmond, en alle GGz- en verslavingszorg- instellingen in de regio. De deelnemende partijen bundelen op deze wijze het onderzoek op het terrein van de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGz), de zorg voor mensen die hulp nodig hebben maar zelf geen hulpvraag hebben. Inmiddels zijn onder de vlag van O3 en onder begeleiding van OGGz-hoogleraar, Prof. dr. C.L. (Niels) Mulder, meer dan 10 promotie-trajecten opgestart. Om alle activiteiten en regionale partners een podium te bieden, moest een passende accommodatie worden gezocht. Dat viel niet mee. Een grote plenaire zaal en daaromheen tien workshop zalen afhuren in het centrum van Rotterdam bleek haast onmogelijk en in elk geval een kostbare aangelegenheid. Uiteindelijk was het jarige Delta Psychiatrisch Centrum in staat en bereid het symposium te faciliteren. De praktische voorbereidingen, organisatie en evaluatie waren in handen van Alexander Snijdewind’s Mension™.

Na de jaarwisseling moesten alle sprekers hun onderwerp op papier zetten waarmee een 160 pagina’s tellend boekwerkje is samengesteld als weerslag van de presentaties en workshops. Een week vóór de symposium-datum hadden 147 deelnemers zich ingeschreven, waaronder psychiaters, SPV’ers, beleidsmakers en onderzoekers en andere bezoekers.


Algemene inleiding

Lid van de raad van bestuur van Delta, Wouter Teer, kreeg als eerste het symposiumboek overhandigd en opende met een pleidooi om de lokale problematiek in de regio als leidraad te nemen voor de organisatie van de zorg. De symposium-dagvoorzitter, Niels Mulder, schetste vervolgens de nieuwe interventies en onderzoeksinstrumenten die binnen het O3-kader ontwikkeld worden. Daartoe zijn in verschillende studies zogenoemde randomized controlled trials (RCT’s) opgezet die in de komende jaren resultaten moeten gaan opleveren. André Wierdsma vroeg om aandacht voor de aanvullende rol van GGz-monitoring naast het RCT-geweld , en gaf aan wat daarvoor nodig is en hoe de diverse O3-projecten daartoe een bijdrage kunnen leveren. Ter afsluiting van het openingsgedeelte sprak Astrid Kamperman over de psychische problematiek onder migranten. Dit is een van de thema’s die als een rode draad door het grootstedelijke OGGz-onderzoek lopen.

 

Na de algemene inleidingen werden één voor één de workshopleiders opgeroepen om “hun” deelnemers te verzamelen en naar de zalen te begeleiden. Dat leidde tot een charmante chaos, zoals een deelnemer het uitdrukte. Alle workshops werden twee keer, voor en na de lunch, gehouden om zoveel mogelijk mensen bij de uiteenlopende onderwerpen te kunnen betrekken.



De workshops

Brede OGGz-onderwerpen werden besproken in workshops over huiselijk geweld, patiënten met verstandelijke beperkingen, en nazorg na een gedwongen opname. Gerard van der Zalm, afdelingshoofd bij de GGD Rotterdam-Rijnmond, schetste de Rotterdamse aanpak van huiselijk geweld, met als peilers het advies en steunpunt, lokale teams, en de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Alouette Mulder, Suzanne Stuurman en Barbara van Straaten bespraken de mogelijkheden en moeilijkheden van IQ onderzoek bij de moeilijke OGGz-doelgroep. Onder leiding van Jolanda Stobbe werd ingegaan op verbeterpunten voor de soms gebrekkige nazorg bij patiënten die met een rechterlijke machtiging gedwongen werden opgenomen.

Informatieuitwisseling en instrumentontwikkeling in de OGGz kwamen in verschillende workshops aan bod. Hans Kortrijk en Bert-Jan Roosenschoon gaven uitleg over Routine Outcome Monitoring: het routinematig meten van het beloop van de toestand van de patiënt als middel voor kwaliteitsbewaking en externe verantwoording. Roland van der Sande en Antoon van Baars bespraken aan de hand van een casus de meerwaarde van het operationaliseren van gevaarscriteria in een meetinstrument voor gevaar taxatie. Door Ria Borra werd een model geïntroduceerd, de Cultural Formulation, aan de hand waarvan cultuursensitiever diagnostisch onderzoek onder allochtone psychiatrische patiënten kan plaatsvinden. Klaas Ridder, werkzaam voor de GGD Rotterdam-Rijnmond, besprak de mogelijkheden en beperkingen van e-Vita: een registratiesysteem waarin lokale zorgnetwerken binnen Rotterdam hun cliënten en acties vastleggen.

In drie studies worden interventies geëvalueerd waarbij in mindere of meerdere mate wordt bijgedragen aan de versterking van de positie van de moeilijke mensen in de OGGz. Omdat de doelgroep vergrijst, is bemoeizorg voor ouderen gestart. Marja Berends en Ron van Vugt bespraken de eerste ervaringen van Assertive Community Treatment (ACT) voor ouderen. Tonnie Staring richt zich op methoden om therapietrouw te verhogen, bijvoorbeeld motiverende gespreksvoering. In de workshop werd gedebatteerd over de ethische kanten van het geven van geldelijke beloningen (“money for medication”). Samen met Karen Groen en Renee de Haan van het Basisberaad, besprak Asia Ruchlewska de mogelijke preventieve effecten van een crisiskaart. Patiënt en behandelaar, al dan niet onder begeleiding van een consulent, leggen in deze kaart de afspraken voor het beleid in crisissituaties vast.



Het slotdebat

Het afsluitende forumdebat ging over de (on)wenselijkheid van de toename van dwang en drang. In de ene hoek van de arena, de voorstanders omdat dwang en drang soms nodig zijn, zaten Marja Hasert (voorzitter Ypsilon) en Marcel Slokker (de pas geridderde dak- en thuislozen huisarts in Rotterdam). In de andere hoek hadden Jaap Meeuwsen (directeur Basisberaad) en Niels Mulder de krachten gebundeld om de positie te verdedigen dat het met dwang en drang in de GGz een stuk minder kan en moet. De discussie werd geleid door Jules Tielens, psychiater Rehab team voor Dak- en thuislozen te Amsterdam (“Wat een leuke man is dat” stond in een van de evaluatieformulieren). Natuurlijk had het team Meeuwsen & Mulder geen schijn van kans omdat het huidige tijdsgevoel zowel overlast als zelfverwaarlozing benadrukt. Moeilijke mensen zijn vaak moeilijk voor anderen, maar vooral ook moeilijk voor zichzelf. Dat vraagt van de hulpverlener vaak om “doorpakken”.

Opvallend veel deelnemers bleven tot de borrel aan het eind van de (vrijdag) middag en vertrokken met het symposiumboek en andere info van één van de farmaceutische sponsors. Het symposium gaf misschien niet een direct antwoord op de vraag “Hoe doen we dat?”, waardoor enkele deelnemers met iets andere verwachtingen waren binnengekomen. Maar met alle aandacht voor “Hoe weten we dat?” en “Wat kunnen we (gaan) doen?” kwamen de deelnemers tot een gemiddelde waardering van 7,5 voor de organisatie en rond de 8 voor de workshops.

Aanvullende gegevens